41 — December 2024

clustered | unclustered

Wie maakt de academie schoon? Verhalen van relationeel verzet  

Stijn Van Dorpe & Sarah Késenne

De Belgische film Le Balai Libéré (2023) van Coline Grando schetst de geschiedenis van zelforganisatie door onderhoudspersoneel aan de UCL in Louvain-la-Neuve tijdens de jaren 1970 en 1980. “Salut patron, on n’a plus besoin de toi”, zingt een van de activistes uit die periode op archiefbeelden. De film legt deze strijd uit het verleden naast het huidige, uitbestede schoonmaakwerk op de campus. Vandaag worden schoonmakers, in dienst van externe bedrijven, geconfronteerd met toenemende precariteit: met weinig uren verrichten zij zwaar en grotendeels onzichtbaar werk, losgekoppeld van het academische leven dat ze nochtans mee mogelijk maken.

Ook op de campus van LUCA School of Arts in Gent vertoonden we als docenten fragmenten uit deze film tijdens een van de schoonmaakassemblees. Die assemblees organiseerden we om aandacht te vragen voor het uitbestede schoonmaakwerk op onze academie, binnen een ruimer traject rond onderhoudswerk, kunsteducatie en positionaliteit. Dat traject ontstond onder meer vanuit intersectionele benaderingen en vanuit de keuze om precaire posities als vertrekpunt te nemen om vragen te stellen over (on)gelijkheid op de kunstacademie.

Dekoloniaal feministe Françoise Vergès ziet de rol van zorg- en onderhoudswerk door geracialiseerde vrouwen als het centrum van het actuele feministische debat.

The struggle of racialized cleaning women give new content to ‘women’s rights’. They articulate what the right to exist can mean in a world where rights were designed to exclude. For decolonial feminists, the analysis of cleaning and care work in the contemporary configuration of racial capitalism and civilizational feminism is the most urgent task. (Vergès, 2021: 82)

Dekoloniaal feminisme is voor Vergès onderdeel van een langdurige beweging van wetenschappelijke en filosofische herinterpretatie van het Europese wereldbeeld (Vergès, 2021: 20). In Vergès’ ogen streeft het dekoloniale feminisme ernaar om de geschiedenis van zorg- en onderhoudswerk, verricht door geracialiseerde vrouwen, te herontdekken en te legitimeren, dit in reactie op haar veronachtzaming binnen feministische geschiedenissen. Het kapitalisme als systeem dat niet alleen afval produceert, maar ook mensen als wegwerpartikelen behandelt, heeft geleid tot de onzichtbaarheid en de onzekerheid van schoonmaakwerk vandaag, zo geeft Vergès aan (Vergès, 2021: 20).

Ook progressieve instellingen zoals kunstacademies halen maar hun opleidingsdoelen bij gratie van een raciale verdeling die precaire zorgarbeid bij uitstek toebedeelt aan mensen met een migratieachtergrond of vrouwen van kleur.1 Aan LUCA School of Arts wordt sinds 2021 naar manieren gezocht om het werk van de schoonmakers zichtbaar te maken en tot andere relaties te komen tussen schoonmaakpersoneel, lesgevers, medewerkers en studenten. Dit gebeurt door samen met het schoonmaakpersoneel en de studenten schoonmaaksessies, screenings, ontbijtmomenten en assemblees te organiseren, en bovenal regelmatig in gesprek te gaan.

In deze tekst worden enkele interventies op de campus besproken als onderdeel van dit traject, waaronder de tentoonstelling Vroeger heb ik ook nog tapijten gemaakt, nu poets ik het textielatelier, je zou kunnen zeggen dat ik terug ben (2024). De titel van de tentoonstelling is gebaseerd op een citaat van een van de schoonmakers. In dit doorlopende traject willen we onderzoeken hoe onderhoudswerk een bijdrage levert aan het sociale en affectieve weefsel van de academie en met welke vormen van verzet dit gepaard gaat.

Vragen rond positionaliteit stonden van meet af aan centraal: hoe kunnen we, vanuit onze institutionele positie als docenten en onderzoekers, werken aan de zichtbaarheid van schoonmaakwerk binnen kunsteducatie? Hoe kunnen we rekening houden met de asymmetrie die onze positie met zich meebrengt en dus proberen om de hiërarchische verhoudingen tussen ons en de schoonmakers niet zomaar te reproduceren?

Sites van protest

Het hoger onderwijs lijkt in een periode van crisis te verkeren, en dit niet alleen door besparingen. De gesprekken over grensoverschrijdend gedrag en de Gaza-protesten tonen dat universiteiten verweven zijn met breder maatschappelijk machtsmisbruik en geweld, maar ook dat ze belangrijke plekken van protest zijn. Tegelijk laten deze protesten binnen het hoger onderwijs ook zien hoe moeilijk het is geworden om de administratieve en beleidsmatige machtsinstanties van het onderwijs te beïnvloeden. Onderwijsinstellingen sluiten zich steeds meer af voor invloeden van buitenaf en van binnenuit, zoals studentenactivisme, en worden steeds centralistischer georganiseerd.

Zo is ook LUCA door de academisering sinds 2013 deel geworden van een grotere universitaire associatie (KU Leuven), die inzet op het competitief maken van onderzoek en onderwijs binnen een internationaal onderwijslandschap. Ook beslissingen over schoonmaakcontracten worden genomen door gecentraliseerde diensten, ver verwijderd van de werkvloer van de schoonmakers. Gesprekken met collega’s op de centrale campussen in Leuven leerden ons dat de situatie van het onderhoudspersoneel daar beter is dan die op de verder gelegen associatiecampussen, waar personeel werkt zonder enige band met de logistieke diensten die deze contracten beheren.

De kritische vragen die het traject op LUCA opriep — wat gebeurt er wanneer docenten, studenten en schoonmakers nauwelijks contact met elkaar hebben, en welke verantwoordelijkheid draagt de schoolleiding in de precaire arbeidsomstandigheden van schoonmakers? — resoneerden wel bij lokale leidinggevenden, maar leidden niet direct tot betere arbeidsomstandigheden. Studenten werden beschuldigd van onrespectvol gedrag, terwijl begin 2024 een nieuw vierjarig contract voor de schoonmaak van de LUCA-campussen opnieuw werd toegekend aan het schoonmaakbedrijf met de laagste prijsofferte. Dit toont een fundamentele vraag binnen ons onderzoek: welke vormen van protest zijn vandaag mogelijk wanneer tegelijk de studentenacties rond Gaza tonen dat manifestaties, petities of bezettingen snel credibiliteit verliezen en weinig invloed hebben op de financiële en juridische kaders van universitaire associaties? Zoals Lorenzo Buti schrijft, maken onderwijsinstellingen deel uit van een sociale en politieke keten die heersende machtsverhoudingen stabiliseert door goed opgeleide arbeidskrachten af te leveren voor de markt en maatschappij (Buti, 2025: 7). Tegelijk identificeren universiteiten zich ook nog steeds met humanistische waarden zoals onafhankelijk onderzoek, open debat, vrijheid van meningsuiting en de bescherming van mensenrechten. Het hoger onderwijs kan daarom niet eenvoudigweg worden gereduceerd tot zijn rol in het hegemonische regime, aldus Buti. Ook LUCA zegt “in dialoog te staan met en in dienst te zijn van een open, duurzame, pluralistische en cultureel diverse samenleving” (LUCA School of arts, z.d.).

Binnen een kunstschool die een rechtvaardige samenleving als kompas hanteert, is het cruciaal om geracialiseerde zorgarbeid zichtbaar te maken. Appel doen op de humanistische waarden van een onderwijsinstelling was zeker een onderliggende motivatie voor dit traject rond schoonmaakarbeid, maar het draagt ook risico’s in zich. Instellingen hebben bijvoorbeeld soms de neiging hun macht te verhullen: ze gaan wel in dialoog, maar tonen zich niet bewust van hun positie. Wanneer leidinggevenden aan medewerkers en studenten zeggen “jullie zijn de hogeschool”, negeren ze daarmee de structurele macht die LUCA wel degelijk in handen heeft (medewerker LUCA School of Arts, persoonlijke communicatie, 12 november 2026).

Protest kan ook gerecupereerd en geneutraliseerd worden: men verpakt maatschappelijk protest soms als maatschappelijke dienstverlening, terwijl men vaak geen moeilijke financiële en bestuurlijke beslissingen durft te nemen. Zo heeft het kunstonderwijs een progressief en transgressief zelfbeeld, dat blind maakt voor hiërarchische verhoudingen binnen de instelling zelf. Dit stelt de vraag welke andere methodes nodig zijn om de geassocieerde School of Arts ter verantwoording te roepen, als blijkt dat haar humanistische en progressieve waarden het infrastructurele en administratieve machtskarakter van de instelling soms verhullen.

Relationeel structureren

We vroegen ons daarom in eerste instantie af of relationeel werken en bewust omgaan met positionaliteit als protestvormen kunnen gezien worden, gericht op meer sociale rechtvaardigheid rond schoonmaakarbeid binnen academische instellingen. Om het idee te ontmantelen dat een schone school vanzelfsprekend is, wilden we schoonmakers met andere woorden erkennen als mede-actoren en mede-makers van de school. Door hen actief te betrekken in de sociale ecologie van de instelling en ons in te mengen in relationele dynamieken, werd ruimte gemaakt voor inspraak en respectvolle relaties.

Tegelijk bleef daarbij de vraag bestaan hoe deze ‘soft politics’ van relationeel werken en positioneren daadwerkelijk kan ingrijpen in bestaande machtsordes, zonder die opnieuw te bevestigen? Daarbij raakte deze focus op sociaal-relationele dynamieken ook aan de hoedanigheid van de kunstschool en onze rol als kunstdocenten. Hoe kunnen kunst en educatie omgaan met positionaliteit en de onvermijdelijke aanwezigheid van macht, terwijl ze tegelijk ruimte maken voor wederkerigheid en zorgethiek op de werkvloer? De realiteit is zo dat geracialiseerd schoonmaakwerk van voornamelijk anderstalige vrouwen met een Turkse achtergrond kunstonderwijs mogelijk maakt voor een groep van nog steeds voornamelijk witte studenten en medewerkers. We konden ons dus niet richten op het zichtbaar maken van ongelijke posities, zonder bewust om te gaan met deze verschillen tussen ons en de schoonmakers.

Door andere vormen van samenwerking en aandacht bracht het traject ook omgekeerd verschuivingen met zich mee op het vlak van onze eigen werkprocessen. Als docenten konden we lesgeven, onderzoeken en actievoeren niet meer gescheiden houden. De nadruk van het traject lag met andere woorden op de complexiteit van relaties, posities en wrijvingen op de werkvloer van de campus, die we beschouwden als een bron van onverwachte interventies en wendingen.

 

Scenograferen

Een van de strategieën binnen dit trage relationeel-esthetische proces was de tentoonstelling Vroeger heb ik ook tapijten… (2024), waarbij we met studenten uit het textielatelier een scenografie ontwikkelden voor de tweede schoonmaakassemblee in de tentoonstellingsruimte van de school. Deze assemblee was een open bijeenkomst van schoonmakers, studenten, docenten en leidinggevenden met als doel in brede kring te luisteren naar de belangen van de schoonmaakploeg. Problemen en mogelijke oplossingen rond de werkomstandigheden van de schoonmakers kwamen aan bod.

Een vraag die hierbij rees en typerend was voor het hele proces was of de schoonmakers wel tijd hebben om deel te nemen aan een assemblee. Het al dan niet beschikken over tijd maakte onmiddellijk al bepaalde posities zichtbaar. Toch is dit niet eenduidig. Ook voor ons als docenten speelde bijvoorbeeld de vraag in welke mate dit proces tijd weghaalde van schaarse onderzoekstijd dan wel net gelegitimeerd kon worden als onderzoekstijd. Dit creëerde een spanning tussen het zichtbaar willen maken van de arbeidsomstandigheden van schoonmakers en het risico dat hun tijd en betrokkenheid tegelijk geïnstrumentaliseerd werden binnen de onderzoeks- en carrièrelogica’s van een geliberaliseerde academische context.

In de voorbereiding van de assemblee en de tentoonstelling werd ook de docent-studentrelatie bevraagd, doordat vragen rond positie, verantwoordelijkheid en betrokkenheid zich voortdurend opnieuw stelden. Zo rees er twijfel over de mate waarin wij als docenten vooraf een kader voor de scenografie van de tentoonstelling konden bepalen voor de studenten. Enerzijds wilden we als docenten ruimte laten voor horizontale samenwerking, anderzijds voelde alles open laten niet genereus, maar eerder ontwijkend. Het leek essentieel om onze ervaring met relationeel werken met schoonmakers mee te geven als richtsnoer. Na een eerste gesprek met de studenten besloten we daarom als houvast enkele richtlijnen mee te geven. Het belang van de zichtbaarheid van schoonmaakwerk en van degenen die het uitvoeren werd op tafel gelegd; we stelden ook vragen over de rol van een toegankelijke en leesbare scenografie. De eerder esthetische ideeën van de studenten brachten ook reflecties op gang over de verhouding tussen vormbetekenissen, positienames en schoonheid. We vroegen ons af hoe de scenografie het beste zou functioneren. Wilden we bijvoorbeeld eerder een horizontale scenografie tot stand brengen die lichamelijk betreden en ervaren kon worden via relaties tussen tapijt, stoelen en lichamen? Of streefden we veeleer naar een verticale scenografie met een aansporend en wervend karakter, zoals de revolutionaire decors van theaterexperimenten uit de twintigste-eeuwse avantgarde?

Weven

 

Tijdens deze uitwisselingen kwamen de studenten ook overeen om in de tentoonstellingsruimte een soort weefgetouw op te stellen, waarin een dialoog met de schoonmakers geweven zou worden als performatieve handeling. Het voorstel was om op basis van gesprekken met de schoonmakers uitspraken te verzamelen en deze met hun toestemming op stroken stof te printen of te schilderen.

Weven werd hier opgevat als een verbindende handeling, maar dit riep ook vragen op: Ging men niet te veel uit van een ‘vervlechting’, die frictie buiten beeld houdt? Daagde de symboliek van weven als verbindende handeling voldoende uit tot kritische reflectie over de verschillende posities van studenten en schoonmakers binnen de school? Dit was een pertinente vraag aangezien de schoonmakers meermaals aangaven een gebrek aan respect te ervaren van de studenten.

De uitspraken ‘verweven’ voelde daarenboven aan als een beweging naar binnen — eerder sluitend dan openend. In plaats van nieuwe relaties, ontmoetingen of veranderingen te genereren, dreigde het gebaar eerder bestaande verhoudingen te bevestigen. Op basis van deze bedenkingen kregen de stroken stof met de quotes van de schoonmakers een andere bestemming. De studenten beslisten uiteindelijk om ze tussen de stoelen van de assemblee te weven, wat correspondeerde met het eerlijke en moeilijke gesprek dat tijdens de assemblee plaatsvond.

Vertalen

 

Hoe verliep het proces verder? In het lokaal waar het onderhoudsteam en het logistiek personeel hun pauzes houden en waar ze zich dagelijks voor en na het werk verzamelen, werden gesprekken gevoerd tussen schoonmakers en studenten. Ondertussen sloot ook een groep studenten uit het atelier grafiek en tekenkunst aan, met het idee portretten van de schoonmakers te maken.

De studenten waren opvallend stil en zichtbaar onder de indruk van de verhalen. Een student die het Turks ook als moedertaal heeft, fungeerde als tolk. Vertalen tussen het Turks en Nederlands was noodzakelijk voor het project, en werd ook vaak gedaan door een medewerker van de belangenbond van SAAMO, een vereniging die zich inzet voor mensen in precaire arbeidssituaties.

Op basis van deze gesprekken in het onderhoudslokaal selecteerden de studenten uitspraken die een beeld schetsen van de ervaringen van de schoonmakers op de academie. Daarna werd een open oproep verspreid om deze uitspraken op nauwkeurig gekozen omzoomde stroken stof te schilderen. Ook de verfkleuren en technieken kozen de studenten met aandacht. Er werd beslist om in drie talen op de stroken te schrijven: Turks, Nederlands en Engels.

Ondertussen werkten vijf tekenaars verder aan de portretten in houtskool. Het was hierbij essentieel om tegenover de schoonmakers zo transparant mogelijk te zijn over de intenties van het portretteren, om toestemming te vragen om foto’s te maken als basis voor de portretten en om zorgvuldig na te gaan wie wel en niet geportretteerd wilde worden. Zowel de tekeningen als de textielstroken waren bedoeld om beeld en woord te geven aan het schoonmaakwerk. De zorg en precisie die de studenten tijdens het maakproces aan de dag legden, kan in die zin ook gelezen worden als een handeling van respect naar de schoonmakers toe.

Tijdens de assemblee werden de boodschappen op de textielstroken één na één door de studenten en docenten voorgelezen terwijl ze omhooggehouden werden. Daarna werd elke strook tussen de stoelpoten van het aanwezige publiek geweven. Zo kwamen de soms pijnlijke uitspraken dicht op de huid van de bijeengekomen groep te zitten. De reacties van de schoonmakers op het voorlezen van de stroken in drie talen verraadden zowel plezier als ontroering. Maar ook de portretten vielen bij hen in de smaak en leidden tot groepsfoto’s en selfies met de tekeningen. Een medewerker van SAAMO merkte wel op dat de portretten de schoonmakers ook kwetsbaar maakten omdat ze hierdoor niet meer anoniem waren. Zichtbaarheid kon met andere woorden ook tegen hen gebruikt worden; de werkgevers van de schoonmaakbedrijven hoorden immers waarschijnlijk liever geen kritische vragen. Zichtbaar en deelbaar maken was met andere woorden geen eenduidig proces, maar vroeg om voortdurende afstemming op complexe relationele, sociale en maatschappelijke contexten. 

Frictief samenwerken

De hier beschreven wisselwerkingen brachten onmiskenbaar een collectieve energie op gang tussen de studenten onderling, maar kenden ook de nodige fricties. Deze fricties bleken desalniettemin betekenisvol binnen relationeel-esthetische processen. We beschouwden ze als sprekende momenten waarop iets verschuift.

Toen de tekenstudenten bijvoorbeeld later in het proces instroomden, hekelden ze het gebrek aan transparantie en zeggenschap: er bleken al artistieke keuzes vast te liggen. Dit zorgde voor wrijving en ongemakkelijke gevoelens. Bij het ophangen van de portretten ontstonden discussies over de plaats aan de expowand — binnen of boven de lineaire chronologie van de A3-vellen waarop de historiek van schoonmaakarbeid werd beschreven? De studenten waren bezorgd over de waarde die de plaats van hun tekeningen aan de schoonmakers zou geven en over het feit dat de tekeningen niet als zelfstandige entiteiten zouden gezien worden. Ze voelden zich hier dus ook niet voldoende erkend als kunstenaars.

Er ontstond ook spanning over het feit dat de assemblee en de scenografie deel waren van een gecureerde tentoonstelling waarin ook meer ‘autonoom’ werk van andere studenten getoond werd. Sommigen vonden dat hun kwaadheid over de situatie van de schoonmakers hierdoor ondergeschikt leek aan de symbolische logica van het klassieke tentoonstellingsmodel. Eén student bood hierop een krachtig antwoord door ongevraagd een uitgesproken activistisch werk aan de tentoonstelling toe te voegen met de tekst ‘Dirty Hierarchy in a Clean Space’. Ze beschouwde dit als een aanklacht tegen het gebrek aan respect van leidinggevenden tegenover hun werknemers — een gebaar dat de frictie niet ontweek, maar juist zichtbaar maakte. Gedurende de samenwerking stelden dit soort esthetisch-politieke vragen zich continu. Verlangens en intuïties over schoonheid doorkruisten de relaties tussen docenten, studenten en schoonmakers, maakten verschillende posities voelbaar en gaven het traject diepte.

Verbreden-uitbouwen

 

Binnen de relationele dynamieken die zich op de campus ontvouwden, waren het niet enkel artistieke keuzes en handelingen die andere percepties en gevoelsmatigheden binnenbrachten. Ook sociale verhoudingen raakten aan vragen van zichtbaarheid, aanwezigheid en aandacht. De problemen die de schoonmakers aankaartten leidden daarbij ook tot het betrekken van externe partijen, buiten de interne logica van de school. De precaire positie van de schoonmakers valt immers niet louter te verklaren vanuit de relaties op de campus. De uitbesteding van het schoonmaakwerk aan externe bedrijven bracht hen in uiterst kwetsbare omstandigheden en vervreemdde de school van schoonmaak en schoonmakers.

We werden onder meer betrokken bij gesprekken over de nadelige gevolgen van outsourcing tussen de facility managers van de KU Leuven, vakbondsmensen op de centrale campussen en KU Leuven-onderzoekers van het HIVA Research Institute for Work and Society. Tegelijkertijd werden de contacten versterkt met medewerkers van SAAMO, dat zich toelegt op de arbeidsomstandigheden van uitbestede schoonmakers van stedelijke instellingen van de stad Gent. Vakbondsvertegenwoordigers van LUCA wilden voor het eerst ook de belangen van de schoonmakers behartigen, ook al zijn zij officieel geen werknemers van LUCA. Deze dynamiek bracht ook vakbondsmensen uit de schoonmaaksector binnen, zodat een ondersteunend netwerk begon te ontstaan.

Uit deze relationele constellaties ontstonden verhalen van kleine en grotere successen. Onze rol verschoof gaandeweg van initiatief nemen naar getuigen en ondersteunen. In dat proces spraken we niet rechtstreeks tegen de ‘macht’, maar creëerden we wel zichtbaarheid, relaties en erkenning. Juist daardoor ontstond steun en legitimatie, wat uiteindelijk kan uitmonden in vormen van solidariteit.

Nog belangrijker was dat de schoonmakers binnen deze groep steeds meer vertrouwen wonnen, waardoor ze strijdvaardiger en bepalender werden met het oog op toekomstige mogelijkheden en beslissingen. Dit leidde onder andere tot het engagement van een van de schoonmakers op onze campus om eerste vakbondsafgevaardigde in Oost-Vlaanderen te worden van het betreffende schoonmaakbedrijf. De stemmen van schoonmakers begonnen langzamerhand meer en meer doorheen de campus te resoneren en veranderden het beeld van wat de school is — of zou kunnen zijn — als plek van samenwerking en gelijkheid.

Kleine geschiedenis van schoonmaakwerk

We vroegen ons daarbij ook af welke verhalen van geracialiseerde schoonmaakarbeid mee de geschiedenis van de kunstacademie kunnen schrijven en decentraliseren. Welke weerstand kan deze kleine geschiedenis van schoonmaak bieden tegenover gecodificeerde lezingen van schoonmaakarbeid?

In het kader van de tentoonstelling Vroeger heb ik ook tapijten gemaakt… werd op basis van gesprekken met schoonmakers een eerste, beknopte historiek opgesteld van schoonmaakwerk op onze campus vanaf de jaren 1980 tot 2024. Tekstfragmenten uit gesprekken met huidige en vroegere schoonmakers en leidinggevenden werden op roze A3-vellen gedrukt en chronologisch opgehangen aan twee muren. Dekoloniaal feministe Françoise Vergès schrijft “dat de idee dat schoonmakers geen verleden of geschiedenis zouden hebben, alleen maar een teken aan de wand is dat hun geschiedenis net verborgen is” (Vergès, 2021: 43). Het is volgens Vergès de taak van feministen om de geschiedenis van het zorg -en onderhoudswerk van geracialiseerde vrouwen te herontdekken en aan het licht te brengen: “Deze archeologie moet erop gericht zijn de catastrofale erfenis van geracialiseerde mensen in een narratief te smeden.” (Vergès, 2021: 5)

Algemeen schetst de historiek eerst de lange periode van 1985 tot 2016 waarbij voornamelijk Nederlandstalige schoonmakers binnen vaste contracten in dienst van de hogeschool werkten. In die periode heerste samenhorigheid tussen het schoonmaakpersoneel onderling, maar ook tussen schoonmakers, studenten en docenten. Schoonmakers waren ook zichtbaar binnen het onderwijs, bijvoorbeeld doordat ze tijdens examens en jury’s koffie brachten naar de docenten. Ze waren ook aanwezig op tentoonstellingen, personeelsfeesten en teamactiviteiten. Een belangrijke wending is het moment waarop men in 2016 in het kielzog van de academisering, en de centralisering en professionalisering van diensten binnen de associatie, beslist het schoonmaakwerk uit te besteden. Vanaf dan zijn het in hoofdzaak vrouwen met roots in Bulgarije en Turkije die het schoonmaakwerk uitvoeren in dienst van een extern schoonmaakbedrijf.

Françoise Vergès levert een radicale kritiek op de centrale rol van het witte subject in emancipatorische geschiedenissen, die te weinig aandacht schonken aan huishoudelijk werk. Hoewel feministen en kunstenaars in het Westen in de jaren zeventig via de ‘Wages for Housework’-beweging huishoudelijk werk als echt werk probeerden te erkennen, werden materialistische analyses ervan al snel overschaduwd door andere agenda’s, vindt Vergès (Vergès, 2021: 12). Er was ook een gebrek aan bewustzijn van de toenemende racialisering en precarisering van onderhoudswerk, toen geracialiseerde vrouwen massaal de toegang van middenklassevrouwen tot de arbeidsmarkt begonnen te ondersteunen (Vergès, 2021: 79). Vergès herinnert ons eraan dat de geschiedenis van geracialiseerde vrouwen niet hetzelfde traject en proces volgt als die van andere feminismen. De grotere uitsluiting die deze vrouwen ervaren, betekent dat deze geschiedenis nog moet beginnen of ‘leven ingeblazen worden’, zoals Vergès het uitdrukt.

De vraag wie die historiek kan of mag schrijven is bijgevolg van groot belang. We stelden ons daarom de vraag hoe we onze eigen opbouw van de chronologie konden decentreren en ruimte bieden voor inconsistenties binnen een al te lineair perspectief op het schoonmaakwerk. Op het eerste gezicht kan je de chronologie bijvoorbeeld zeker lezen als een kritiek op de neoliberale tendens om taken uit te besteden die niet als kernfuncties van een onderwijsinstelling worden beschouwd. De chronologie brengt dan een nostalgisch verhaal dat een verlangen oproept naar het gevoel van samenhorigheid in de warme werkomgeving van weleer, toen studenten nog met de schoonmakers op café gingen. Maar wanneer de schoonmakers ook spreken over pesterijen in de tijd vóór de uitbesteding, wordt het verhaal dubbelzinniger. Het toelaten van de stem van schoonmakers leidde dus ook tot dergelijke inconsistenties (en mogelijke neutralisaties) binnen het protest op de outsourcing.

Ook Françoise Vergès waarschuwt voor lineaire geschiedenissen van dekoloniaal feministisch activisme en wijst erop dat de feministische geschiedenis vol gaten en generalisaties zit. Wanneer je een protestactie als een soort ‘overwinning’ afschildert, zet je volgens haar de onderdrukten in een negatief daglicht. ‘Tegenslagen’ worden dan gezien als bewijs van een slecht gevoerde strijd, in plaats van als een gevolg van onderdrukkende structuren. Vergès plaatst dekoloniaal feministisch protest daarom binnen een cyclisch tijdsregime van het alledaagse. Evenzeer zijn bij de chronologie van het schoonmaakwerk ‘overwinning’ of ‘nederlaag’ de juiste woorden om te gebruiken. Het is waar dat de contractuele situatie van het schoonmaakwerk op de LUCA-campus weinig is verbeterd. Insourcing is nog steeds geen echt onderwerp van discussie. Toch werden stappen gezet in de richting van meer zichtbaarheid, inspraak en een betere bescherming van hun banen. De schoonmakers kwamen in de historiek ook minder naar voor als kwetsbare slachtoffers, bijvoorbeeld doordat de recente schoonmaakassemblees er ook in beschreven werden.

Uiteindelijk draait de kwestie van verantwoordelijkheid in het licht van academische kennisextractie niet enkel om de manier waarop men zijn of haar positionaliteit erkent, maar vooral om hoe die positie het gesprek structureert en wat er verandert als gevolg van de eigen tussenkomst. Hoewel ook Sara Ahmed (2012) erkent dat institutionele verandering vaak precies met dergelijke inspanningen begint, bestaat het risico terecht te komen in de betreurenswaardige situatie dat men arbeidsomstandigheden draaglijker maakt zonder ze daadwerkelijk te veranderen. Ahmed beschouwt diversiteitswerk in die zin als een fenomenologische praktijk: “not simply generating knowledge about institutions but generating knowledge of institutions in the process of attempting to transform them” (Ahmed, 2012: 173). In tegenstelling tot Paulo Freire stelt Ahmed dus dat het niet gaat om kennis die tot transformatie leidt, maar dat je transformerende praktijken als een vorm van kennisarbeid moet beschouwen. De centrale vraag wordt dan wat documenten, zoals de geschiedenis van schoonmaakwerk, in het heden teweegbrengen of hoe ze de condities veranderen die het schoonmaakwerk precair maken. Op die manier wordt voorkomen dat documenten zoals de geschiedenis van schoonmaakwerk ‘niet-performatieve’ taal worden, vergelijkbaar met diversiteitsbeleidsdocumenten die enkel bestaan ten behoeve van een auditcultuur.

Het verhaal van het schoonmaakwerk kon daarom niet zonder legitimerende acties, zoals het betrekken van vakbonden. Er werden stappen gezet richting een betere bescherming van banen en er vonden gesprekken plaats met centrale facilitaire managers en ondersteunende sociale organisaties. Om het voortdurende tijdsgebrek waarmee de schoonmaaksters geconfronteerd werden aan te pakken, vroegen we onderzoeksfinanciering aan zodat de schoonmakers een vrijwilligersvergoeding konden ontvangen.

Uiteindelijk betekende dit proces ook dat onderwijs, onderzoek en activisme nauwelijks van elkaar gescheiden konden worden, al was het maar omdat het organiseren bijzonder veel tijd in beslag nam. Het verhaal van het schoonmaakwerk confronteert de academische instelling dan ook met de manier waarop zij de grenzen tussen artistiek werk, academisch werk en schoonmaakwerk structureert. Wanneer de schoonmakers bijvoorbeeld in de geschiedenis vermelden dat zij de kleding van studenten kopieerden of zelf als textielontwerpers werkten, impliceert dit een gelijkwaardigheid tussen artistiek werk en schoonmaakwerk, waardoor de academie gedwongen wordt zichzelf te herdenken. Schrijven over onderhoudswerk kan met andere woorden niet anders dan de spanningen zichtbaar maken die voortvloeien uit het benaderen van institutioneel organiseren als academische kennisproductie.

Welkom schoonheid

Het traject dat we als docenten de voorbije jaren met heel wat actoren en participanten aangingen, leidde niet tot heroïsche breuklijnen van verzet en verandering. Het bestond eerder uit de tijd nemen die je niet hebt — zowel als docent als schoonmaker, zij het vanuit verschillende posities — en telkens opnieuw gesprekken aangaan met nieuwe schoonmakers, leidinggevenden en studenten. Deze ontmoetingen en wisselwerkingen maakten het mogelijk anders te zien, horen en aan te voelen – wat leidde tot verschuivingen en ruimtes van weerstand. Het traject initieerde een vorm van sluimerend verzet, waarin zorg en gelijkheid niet louter als theoretische ideeën, abstracte waarden of agitatorische slogans door de campus resoneren, maar als gedeelde praktijken worden ervaren.

Wat begon als een onderzoek naar schoonmaakarbeid in de kunstschool, leek verrassend genoeg ook het begrip schoonheid opnieuw te introduceren binnen de academie. Met schoonheid wordt niet de sublieme schoonheid of modernistische harmonie bedoeld, maar eerder een lokale, fragiele en relationele eigenheid.

Schoonheid staat dan niet los van het opzetten van zorgstructuren en wederzijdse erkenning. Nieuwe beelden (verbeeldingen) en daadwerkelijke verschuivingen grijpen hier in elkaar. Schoonheid licht op in ontmoetingen, zorg, gedeelde kwetsbaarheid en gezamenlijk ongemak. Geen verheven ideaal, maar een relationele kwaliteit die zich toont in het alledaagse en in verbonden handelen.

Het traject rond schoonmaakwerk draaide niet in de eerste plaats om initiëren of creëren, maar om het afstemmen op ritmes en ervaringen die voor de schoonmakers al lang dagelijkse realiteit waren, op steun- en zorgvormen waarop zij al vertrouwden. We werden geen vakbondsmedewerkers, en de schoonmakers werden evenmin kunstenaars, maar we probeerden wel aandachtig te blijven voor de esthetische, psychosociale en institutionele fricties die opdoken — en die als oriëntatie te gebruiken.

Misschien kunnen zulke handelswijzen, naast bezettingen, verstoringen en beraadslagingen, worden gezien als een andere manier van protest: een manier die toelaat om binnen een school of arts nieuwe vormen van zorg en gedeelde praktijk te laten ontstaan.

Bibliografie

  • Sara Ahmed. On Being Included: Racism and Diversity in Institutional Life. Durham, NC: Duke University Press, 2012.
  • Buti, Lorenzo. “Reflecties over genocide en verzet: Gaza, studentenprotest en imperialisme”. In: Aktief, 2 (2025): 6–7.
  • Colette Guillaumin. L’idéologie raciste: Genèse et langage actuel. Paris: Mouton, 1972.
  • LUCA School of Arts (2026). Missie en visie. https://info.luca-arts.be/nl/missie-visie, geraadpleegd op 20 maart 2026.
  • Vergès, Françoise. A Decolonial Feminism (vert. A. J. Bohrer). London: Pluto Press, 2021.

Noten

  • 1 In L’idéologie raciste (1972) stelt de Franse socioloog Colette Guillaumin de notie van racisation voor om processen te omschrijven waarbij de dominante machtsorde niet-witte individuen verwijst naar ondergeschikte of subalterne posities en daarbij raciale discriminaties legitimeert.

 

a

clustered | unclustered

?

?

 

b

clustered | unclustered

Looking at Blind Spots of Outsourcing and Organizing Cleaners

Zehra Eviz

LUCA School of Arts in Ghent is one of the dozens of schools and public institutions we approached in our organizing work. In these spaces, finding cleaners, appearing in front of them seemingly “out of nowhere”, trying to build trust and human connection, then strengthening and organizing these fragile and irregular contacts through group meetings… this is the core of our work. Who are we?

Belangenbond is a project of SAAMO Gent vzw dedicated to defending the interests of cleaners subcontracted by public and semi-public institutions.

Although public institutions are often imagined as places of stable and decent employment, this no longer holds. Cleaning – historically positioned between housewife and slave labor1 – occupies the most precarious layers of the workforce. Public institutions, which aim to balance social responsibility (such as decent labor standards for cleaners, social employment, ecological materials) with “efficiency” (cost-effectiveness while maintaining service quality relative to price), often reproduce the very inequalities they claim to prevent. What if institutions stopped talking about social responsibility, acknowledged their contradictions, and took responsibility for them? Precarity thrives in the blind spots where responsibility dissolves.

Under current precarisation, cleaning as labor has become even more dependent on the harsh histories that shaped it. How do we change this course? Can cleaners, student movements, civil society organizations, unions, feminist groups, grassroot organizations do this together? How do we develop a (organizing) model, which cares for the interests of people whose entire lives have been spent caring for others?

As a community worker in a government-funded NGO and an immigrant woman who often stands in institutional blind spots, I describe here the process of our efforts.

Reaching Out

We began outreach in June 2022. The goal was to listen to cleaners, map systematic problems via group meetings, and present proposals for change to politicians, unions, and solidarity networks. Yet, in the very beginning, we lacked crucial but basic information that we needed for outreach: at what hours and in which buildings cleaners are present at work. Union delegate cleaners provided us with basic information. Partners who occupy spaces in public buildings also helped us find our way. Yet, we had to wait until some cleaners trusted us and gave us accurate information on hours and places. So, we learned that most cleaning shifts were from 6 to 9 AM and 4 to 8 PM, in many public buildings, sometimes extending into midday. We discovered that it is not important in the contracts how many laborers are at work, but how many hours of cleaning are done.

Outreach took place in schools, museums, hospitals, social housing complexes, public toilets, administrative buildings, and sometimes in non-conventional spaces such as fire stations. As community workers, we were sometimes at the hands of chance. For instance, if the building has attentive and caring staff regarding cleaning and labor issues, our entrance is facilitated and welcomed in the building. Some administrative buildings which are not open to the public, requiring an electronic card to enter or a directorate to deal with, remain extremely difficult. Some places, such as culinary schools or police stations, were inaccessible due to hygiene and security regulations.

Organizing at LUCA School of Arts

Our first contacts at LUCA were fragile. Trust had not yet formed, and workers were unsure of our intentions. Organizing themselves as cleaners was not their priority. People relied instead on informal support networks, linked to family and migrant communities, to cope with the harsh working conditions. Most had never experienced trust-based relationships with institutions, from public administration to unions. Yet we stayed in touch anyway, even when conversations were sometimes reduced to simple “Salut? Ça va.” That was the first year.

In the second year, a WhatsApp group became active. Online organizing made participation easier, especially for workers with childcare responsibilities. A certain continuity of communication proved essential to building trust. The more we spoke, the more we learned. Cleaners identified three core issues at LUCA:

  1. Heavy workloads resulting from an imbalance between tasks and time;
  2. Lack of recognition, respect, and participation in decisions about cleaning work;
  3. Stressful, humiliating, and unfair evaluation practices. Cleaning quality is assessed by external companies using quality-control checklists designed by experts.

Cleaning old buildings is a form of maintenance: it prevents collapse and keeps them functioning. Yet it is not recognized as a core labor. Who empties heavy bins? Who scrubs paint-stained floors and scrapes chewing gum from under tables? Who endures the conditions of certain toilets while cleaning them? Who removes graffiti from tiled walls? The work cleaners mentioned to us was physically demanding as they handled ceramics, paint, graffiti, clay, rust, and dust. “We are literally doing renovation work”, said the cleaner. She continued: “Still, quality checks demanded spotless surfaces in sinks, floors, classrooms, and studios.”

Expectations were unmeetable. Ecological cleaning products require more time and muscle. Ecological is slower. The creative chaos of an art school requires flexible standards. Yet everything was expected to be pristine and done quickly. Who bears the weight of these contradictions? Who, under pressure to clean exactly as specified in the contract, ends up losing the most valuable thing a person has: their physical strength? Who loses the health of their hands, wrists, joints, their back, shoulders, neck, and the proper functioning of their knees? Who secretly brings bleach from home the day before a quality check, risking their health, committing a “climate crime”, paying out of pocket, while waiting in a state of anxiety and shame for evaluation?

Everything is expected simultaneously: budget-efficient contracts, perfectly clean surfaces, ecological and fair standards, and healthy and safe working conditions; requirements that cannot be reconciled. These impossibilities are offloaded onto cleaners, while problems – if addressed at all – are explained away through narratives of lack: lack of communication, lack of respect for cleaners, lack of coaching, even their supposed lack of language, lack of courage, or lack of organizational capacity. Outsourcing keeps “users” of buildings distant from the people who clean after them. It is not a communication error; it is a system error.

Under such pressure, organizing is the only option. And before the situation improves, it often worsens. This worsening of the situation is a wake-up call to organize, to claim the last drops of human dignity struggling to survive.

During the last contract renewal period, this kind of worsening happened at LUCA School of Arts. Cleaning costs were reduced; quality was expected to remain the same, and workers’ health paid the price. Cleaners collectively refused to do the same job with fewer hours. Their courage and the existence of a Schoonmaak Assemblee at LUCA, next to the presence of civil society and cleaning unions, made this possible. This time, there was readiness for action, because organizing already existed inside the school; the magic of grassroots organizing. The cleaners’ precarity was already visible thanks to the Schoonmaak Assemblee. It was not a cleaners’ assembly but a cleaning assembly, which makes cleaning a collective issue or theme for the diverse groups in the school; not just for cleaners, but also for students, teachers, administrative staff, the teachers’ union, and the cleaning union. Teachers who facilitated the assembly created a space where all cleaning-related issues, questions and solutions could be discussed, and collective imaginaries could be built: a school where the labor of cleaners is valued and where they have dignity.

Most managers in public buildings are disconnected from the reality of cleaners’ work. Unions proudly point to strong collective agreements. On paper, everything is good. However, this is not the case. Cleaners have repeatedly pointed out that collective agreements are not respected in practice. The collaboration of Assemblee with SAAMO and the unions precisely focused on these blind spots and worked to make the struggle visible.

As community workers, we joined some meetings of Assemblee, breakfasts and roundtable discussions. Our contribution to the network was threefold:

  1. Informing unions and solidarity networks about on-site realities. Bringing knowledge about tenders and contracts, explaining how unsocial they often are, and helping identify pathways toward improvement, ultimately through the most transformative solution: in-sourcing.
  2. Addressing the lack of representation of racialized groups within unions. This also requires recognizing non-conventional and thus uncredited forms of resistance practiced within these communities, such as calling one another in, staying with someone when they are close to collapse, prayer, a hug, acts of courage, lending to one another, bringing food to share at work, offering shelter when needed, paying attention to one another, gossiping, covering each other’s mistakes and tasks, giving joy and energy to the team, sharing experience and information about rights and benefits, sharing grief and pain, among many others.
  3. Providing translation in meetings when needed. Translation is essential in the early phases of organizing, until workers who speak multiple languages feel confident enough to step into representative roles, free from the pressure of linguistic perfectionism and language racism. Institutions must recognize that translation is not a luxury; it is the precondition for participation and dignity.

Shedding Light on Blind Spots

Each actor – school management, teachers, students, unions, NGOs, political leaders, cleaning companies, public health institutions, and workers – has its own blind spot. Those who attended the meetings dared to investigate the black hole where contradictory and violent realities are hidden. Blind spots persist through our ignorance, bureaucratic habits, institutional racism, and the everyday devaluation of certain groups. It is here that violations occur, violations of human rights, and of the European standards of decent labor that institutions claim to uphold.

And all these violations are voiced in languages that institutions are too arrogant to listen to: Romanian, Turkish, Bulgarian, Arabic. All these voices come from exhausted racialized bodies. Why look into the blind spots when everything appears clean, budget-friendly, ecological, and reputation-safe without anyone giving up privilege or any institution giving up power? That is the so-called win-win. Every witness, every voice grounded in lived experience that reveals these harsh realities, is systematically and unashamedly silenced, devalued, denied, left untranslated, racialized, gendered, and pushed back into the dark, where there is no light, no eye, no voice. It is time to break this unspoken social contract. Time to bring this issue to light. Time to stop hoarding power and start sharing it. Time to stop economizing on the backs of those who need equality, visibility, and dignified working conditions.

What brought workers, teachers, students, and staff to sit in the same circle was a shared desire for an equal school. Whether complete equality will ever be achieved matters less than moving in its direction. In this collective struggle, let this be a model. Let it take root here. Let it spread.

As community workers from SAAMO, we intervened in meetings when necessary. Four years later, trust stands on firm grounds. We see the value of creating spaces where white and migrant workers embrace one another. We look to the future hoping to protect and nurture this. And yet, we work on a project basis. This is our own blind spot as a government-funded social organization. Without harming these relationships or disrupting the process, we must integrate our work locally within a limited time frame. The organizing networks already rooted in some schools will help make this possible.

This is our challenge – and perhaps even our contradiction: aiming for structural change within project-based work. The optimist in me insists that if we keep our focus on local networks, on building accountable relationships, and on recognizing existing resources; if we allow communities to grow organically; and if we accept the experimental and imperfect nature of the process, then we can contribute something meaningful.

Notes

  • 1 Françoise Vergès. Making the World Clean: Wasted Lives, Wasted Environment, and Racial Capitalism. Cambridge, Mass.: MIT Press, 2024.

 

c

clustered | unclustered

Een kleine historiek van schoonmaakwerk op Campus Sint-Lucas Beeldende Kunsten Gent

?

(Alle uitspraken zijn afkomstig van schoonmakers, tenzij anders vermeld.)

 

1985 Indiensttreding schoonmaker

In 1985 ben ik hier begonnen. Ik werkte voordien als vervanger in een naaiatelier, om te stikken. Dat was een bedrijf van herenkostuums, dat failliet is gegaan. Maar eigenlijk deed ik dat bandwerk niet graag. En de broeder zei: ‘Waarom probeer je het niet eens bij ons op school?’ Eerst ging ik daar niet zo op in. Ik ging ieder jaar met twee broeders naar de eindejaarstentoonstelling. Ik was werkzoekende en zei uiteindelijk: “Ah ja, ik ga dat maar doen en we zien wel, he? Staat het mij niet aan, kan ik vertrekken en iets anders zoeken. Maar ja, als je ergens goed zit, dan loop je niet meer weg.”

1980-1990 Opkomst van organisaties gericht op migratievrouwen zoals Vie Féminine en andere feministische bewegingen, die hun rechten en emancipatie ondersteunen.

Schoonmaakwerk voor 1999

Toen had ik een goed contact met de studenten. Ik begon om 8 uur ’s morgens of iets vroeger. De studenten waren er dan soms al…

Ik wist wat ik kon poetsen, dat was duidelijk. Ik ben zelfs nog met een student uitgeweest: een student die in het atelier schilderkunst zat en ook van Oudenaarde was. We gingen samen uit. Ik was natuurlijk zelf ook maar 24 jaar, hè. Dat was ook de tijd van de punk. Met die kanten rokjes… Ik tekende er ook zelf uit en stikte die dan voor mezelf. Ik keek veel dingen af van die studenten.

Iedereen moest zich een beetje behelpen. Een ingenieur, die ook preventie deed, regelde zo een beetje de dingen. Maar eigenlijk moesten we ons werk zelf ondervinden, bijvoorbeeld wanneer welk atelier vrij was. Je had je gebouw en je moest zelf zien dat dat in orde was. Ze wilden wel dat elke vrijdag de gangen en de trappen eens in het nat grondig gepoetst werden.

We hebben vrij lang op een oude manier moeten poetsen met emmers, dweilen, trekkers en borstels. Zonder machinale middelen. Op het laatst was dat er wel bij.

Ik vroeg: ‘Moet ik dat allemaal dragen? Dat is toch niet te doen?’ En dan heb ik het direct gekregen. Natuurlijk, het kloostergebouw is niet zo simpel met die trappen. Je kunt er eigenlijk met een kar niets doen.

Ik had een goede beschermer op het werk die hielp als er bijvoorbeeld iemand niet gerespecteerd werd op het werk of het werk te zwaar was. Iemand die zijn best deed, kreeg altijd werk bij. Daar kon ik niet goed tegen. En diegenen die zogezegd niks deden lieten ze met rust. Waar ik ook niet goed tegen kon was dat de hele groep gestraft werd als er iemand zijn uren niet deed en vroeger wegliep. Dan moesten wij badgen om naar onze refter te gaan. We zijn daar dan tegen ingegaan. Een van mijn collega’s zei dan: ‘Jongens, dat is eigenlijk een controle op ons. Waarom zijn wij het weer die zo gecontroleerd worden en het andere personeel niet?’ Maar ik ging gewoon het gebouw rond. Dan moest ik niet badgen. Ze mochten dat niet doen, he, dat was onrechtvaardig. Die dreigementen… als ze het voor één groep doen, moeten ze het voor iedereen doen. Er was geen vakbondsvertegenwoordiging, we hebben dat zelf opgelost.

Vroeger moest alles vooral op het eerste gezicht proper zijn. De ateliers werden meestal het jaar door alleen maar geveegd. Voor de jury’s werd er wel heel grondig geschuurd, verf afgestoken, de ramen moesten picobello zijn. Al na de paasvakantie begonnen we eraan.

1990-2016 Koffie op vergaderingen, jury’s en examens

Eerst werkte ik volledig op de schoonmaak. Vanaf 1990 werd ik ingeschakeld om koffie te maken voor vergaderingen. Eerst was dat tegen mijn goesting omdat ik een beetje verlegen was. Het onderhoud van de kantoren kwam er dan ook bij. Uiteindelijk deed ik dat zeer graag. En met de jury’s en de mondelinge examens ging je met koffie rond. Dan moest ge binnenkomen en dat was ambetant. Dat deed ik niet graag. Met twee waren we, met een thermos, met tassen… sleuren! Dat was een verwennerij voor hen, hè. De secretaresse ging dan ’s avonds rond met een biertje, wijn of water. En op een zeker moment zeiden ze dat ze gingen stoppen met de koffie. Maar sommige docenten bleven er altijd naar vragen, de oude garde. De anderen moesten zelf met hun tas komen en ze terugbrengen. Daarna werden het bekers om mee te geven. En nu is de tijd weer aan het veranderen. De tasjes zijn terug.

We ruimden ook de maaltijden voor de jury’s af. Dat was dan nu waar de Carré is, daar heeft nog 120 man binnen gezeten, 14 dagen aan een stuk. Daarna kon ik even geen bord meer zien. Er stond toen veel glas op de koer.

Met de docenten was het contact ook wel goed. Je hebt er altijd die vanuit de hoogte kijken. Nu is dat wel beter. Als er hier in het monasterium in Brakel dan een tentoonstelling was, waren er heel veel docenten en collega’s. Er stond dan ook een tent. En dan zien ze u, en zeggen ze ‘ah, werk jij bij ons’?

Schoonmaken wordt toch nog altijd gezien als een vrij ondankbaar beroep. Het is nochtans het belangrijkste beroep van al, eigenlijk.

1999 Indiensttreding coördinator schoonmaakpersoneel

1995-2016  Schoonmaak in dienst van de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst

 

Als voormalige coördinator van de schoonmaak kan ik zeggen dat het vroeger ook met vallen en opstaan was. Maar er werd ongelooflijk hard gewerkt. Wat bij mij het meest bleef hangen, is dat ze heel goed poetsten. De reden van die mentaliteit was dat iedereen aan elkaar hing. Ik wil maar zeggen: er is heel hard gewerkt, maar met goesting. Samenhorigheid. Als er gewerkt moest worden, moest er gewerkt worden en niet gespeeld. Dat moest ergens gestopt worden: ‘Nu is het gedaan met spelen, met lachen; we werken nu.’ Zo wou ik het ook hebben. Dat is geven en nemen. Op vrijdagen zei ik dan wel eens: ‘Je hebt heel hard gewerkt en nu mogen jullie gaan.’ De sfeer was echt wel heel goed. We deden teamactiviteiten: heel eenvoudige dingen, petanque, op koorden lopen, enzovoort. En elk jaar gingen we eten op kosten van de hogeschool. Ons eigen poetspersoneel babbelde met de docenten, iedereen was een geheel. Het familiale was er, je moest daarom niet alles vertellen. En ik meen dat: toen de universiteit een rol begon te spelen, was dat volledig weg.

2001 Contract met Ecolab, firma voor poetsproducten, poetsmateriaal, opleiding en berekeningen van personeel per gebouw

Intexo is de firma die de controles van het schoonmaakwerk begon te doen op het moment dat de schoonmakers onder contract van de schoonmaakfirma Euroclean begonnen te werken. Om de maand kregen wij zelfs een opleiding van Euroclean over de aangewezen hoeveelheden van producten. Het is niet de bedoeling dat je ‘klak’, zomaar wat toevoegt. In het begin was er maandelijks een opleiding, en daarna om de twee of drie maanden. En dat werd eigenlijk allemaal opgevolgd. Los van de poetsfirma organiseerde ik tweewekelijks met alle poetsdames een overleg. En als dat goed draaide, was dat om de drie weken of om de maand. Viel het overleg tegen, dan schroefde ik dat weer terug. Ik deed vroeger soms zelf ook eens een controle. Ik kwam dan tegen 6 uur. Als men te laat kwam, liet ik dat een keer toe, maar men mag niet veralgemenen.

  

Op maandag kom je toe en er is een zieke. De dag zelf heb je dan nog geen vervanging. Je belt naar het interimbureau. Intussen komt dat briefje binnen: ‘We zijn de hele week ziek.’ De vraag is natuurlijk: je hebt die kar en dat poetsprogramma; dat moet je dan uitleggen aan die interims. Dan krijg je werkstudenten die het eigenlijk niet kunnen.

Ik heb ook fysieke klachten gehad, een beetje mijn fout ook. In plaats van twee keer te rijden met die kar heb ik alle gerief in mijn kar gestoken en is er iets in mijn rug geschoten. Van te heffen. Het is zwaar werk, ja. Ik heb al een paar keer vastgezeten in mijn rug. Ik was dan een paar weken thuis eigenlijk. Daar was wel begrip voor. Je kon ziekteverlof opnemen, dus dat was wel goed geregeld. Ze waren content als ze me terugzagen. Er waren weinig vervangingen als ik ziek was. Dan moest ik weer de koffiehoek in orde zetten. De tassen zoeken en op de juiste plaats zetten.

Jaarlijks voedden we onze linoleum. We zetten dat volledig ruw, alles was eraf. Het linoleum werd dan ingelegd met een product, Easystar – ik noem dat melk. En dat was laag per laag. Was één laag niet voldoende, dan legden we de volgende laag en lieten we die drogen. Met een boenmachine erover werd dat jaarlijks gedaan. Ik heb zelf ook meegeholpen met onze poetsdames om te zien hoe dat allemaal in elkaar zit. Ik sta ook graag op die vloer en ik wil ook weten wat er gaande is, of ik nu graduaat ben of niet, dat doet er niet toe. Die mensen zijn evenwaardig aan mij. Als zij er niet zijn, dan moeten wij zelf onze eigen vuile boel opkuisen. (voormalige coördinator)

2015 Overname Euroclean door Atalian op Sint-Lucas Gent

2015-2016 Outsourcing schoonmaakwerk, externe firma’s worden aangetrokken via openbare aanbestedingen en raamcontracten van de KU Leuven

Er werd vanalles gezegd in de periode ervoor. Er werden dingen verzwegen voor ons. We wisten niet veel tot je het via andere personen dan toch te weten kwam. De meeste collega’s waren content om over te gaan. Ze dachten dat het beter zou zijn. En ik vond van niet. Ik was een beschermde werknemer en daarom konden ze mij niet ontslaan. Het was te duur om mij te ontslaan. En daarom ben ik dan gebleven. Iemand zei tegen me: ‘Het onderwijs is het onderwijs; we moeten ons niet bezighouden met de schoonmaak.’ Maar dat is wat ik dan tegensprak.

De mensen hebben mogen kiezen of ze bleven of niet. Maar er was eigenlijk geen keuze. Men zei: ‘Ofwel stap je mee over, ofwel verdwijn je. Daarmee is de kous af.’ Meer dan de helft stapte over. Ik zei tegen hen: ‘Ik kan het niet meer tegenhouden.’ Ik heb de mensen verwittigd. Voor een aantal mensen heb ik zelfs hun CV en sollicitatiebrief gemaakt. Ik zei: ‘Nu is het aan jullie.’

Iemand heeft dan de vakbond ingeschakeld. Drie mensen zijn overgestapt. Ze zijn beginnen uitkijken en de meesten zijn verdwenen. Een collega is bij Odisee terechtgekomen. Iemand was langdurig ziek door rugproblemen. Een andere collega heeft haar ontslag gegeven omdat zij niet wilde werken met een poetsfirma. Die zag dat niet zitten. Atalian heeft ook andere mensen gerekruteerd. (voormalige coördinator)

Bij een overname zijn ze verplicht de vraag te stellen aan het personeel of ze willen overgenomen worden. Maar dat ze volledig verplicht zijn om u zomaar direct mee over te nemen, daar ben ik nog niet zeker van. Als jij nu de vraag krijgt, dan ga je ook niet direct de vraag stellen hoe het zit met de verloning. Je gaat zeker niet meer verdienen. De vraag is vooral of het minder gaat zijn. Als je minder verdient…. Ze gaan je dat niet zeggen, hè. (voormalige coördinator)

Ik werd zelfs uit Brussel gebeld door de HR-directeur. ‘Je gaat problemen krijgen,’ zei ze… Dat waren pesterijen op het laatste. Druk op mij om over te stappen, hè. Ik wilde dat niet. Op het laatste moment zat ze in zaal Mia de Smet en goot ze koffie over haar computer. Ik ging er snel over met een microvezeldoekje. En ze zei: ‘Wat kan ik nu doen zonder jou?’ Ik zei: ‘Wel, je weet het dan toch.’  Ik zei dat om te lachen, maar ondertussen wist ze het toch.

Voor mij was dat... Dat heeft mij pijn gedaan, eigenlijk. Het is precies dat je van een persoon een nummer geworden bent, hè. Dat vond ik erg. Ik kon er niet aan doen. Ik heb in de put gezeten. Ik ben thuis geweest. En ik ben wel geholpen door iemand… Ik ben in therapie kunnen gaan bij iemand die ik al kende. ‘Kom maar een keer bij mij,’ zei ze, ‘want ik ga je helpen, zodat het je niet meer kan schelen.’

En ja, ze hebben dan iemand anders op de coördinatie gezet. Vanaf het begin is er ruzie geweest. Ik heb er heel veel van afgezien, zelfs twee maanden een burn-out gehad. (voormalige coördinator)

2018  Indiensttreding schoonmaker

Zolang we met ons eigen poetspersoneel werkten, was er een hechte band. Dat is nu allemaal weg. Je voelt dat ook bij de poetsdames die in de plaats gekomen zijn. Het is heel anders werken. (voormalige coördinator)

Al die linoleum is nu 25 jaar oud. Die is nooit meer ingelegd geweest de laatste jaren. Zelfs in de hoeken zie je zo dat het vuil onder de laag Easystar ligt. Dat zegt voor mij al meer dan voldoende. Er is bijna geen overleg. Poetsmateriaal? Ik hoorde deze morgen een van de poetsdames zeggen: ‘Ik heb geen Swifferdoeken meer, mijn producten zijn ver op en ik moet er maanden op wachten.’ (voormalige coördinator)

Ik respecteer het werk dat ze hier doen. Maar ik denk dat wij niet hetzelfde respect krijgen.

Dat zijn allemaal halftijders. Zij hebben geen pauze meer, hè. Vroeger werkte men ook vanaf zes uur. En dan in de voormiddag een kwartiertje pauze om iets te eten. En dan om twaalf uur nog een keer. De meesten vertrokken om half drie of half twee. Maar nu is het allemaal van zes tot tien. Die mensen gaan dan naar huis.

Ik zeg al heel mijn leven: ‘Als je niet rondkomt, doe dan enkel de vuilbakken.’ Er zal minder geklaagd worden dan als de vuilbakken uitpuilen. Dat is de eerste indruk als je in een lokaal of atelier komt: ‘Oei, wat is dat hier? Er is hier niet gepoetst.’ (voormalige coördinator)

   

Nu werken er mensen die geen Nederlands verstaan. Het zou zelfs kunnen zijn dat ze minder verdienen bij de externe firma dan dat ze verdienden toen ze onder een vast contract bij de academie werkten. (voormalige coördinator)

Ik begrijp ze niet goed en zij begrijpen mij niet goed. De communicatie is moeilijk. Er was bijvoorbeeld een moment dat ze moesten opschrijven in een boekje wat er kapot was. Maar als ze de Nederlandse taal niet onder de knie hebben, hoe kunnen die mensen dat opschrijven? Allez, dat is absurd eigenlijk.

Vroeger hadden mensen meer uren; we hadden een beetje meer tijd. Er was eens tijd voor een gesprek onder elkaar, een keer een babbeltje.

Er is volgens mij niet genoeg personeel voor het werk dat gedaan moet worden. Vroeger werd er veel meer gedaan, zoals de ramen en voor de vakanties de grote kuis. Ik heb dat veel zien achteruitgaan. Van jaar tot jaar, eigenlijk. (voormalige coördinator)

Die mensen moeten meer uren krijgen. Er zijn al bedrijven die terugkeren naar eigen personeel. Ik denk persoonlijk niet dat het efficiënter is met een firma, gewoonweg omdat die mensen te weinig tijd hebben. (voormalige coördinator)

2022 Indiensttreding schoonmaker

Maart 2022 Belangenbond SAAMO Gent wordt opgericht.

Belangenbond SAAMO zet zich in voor mensen in precaire arbeidssituaties.

November 2022 Gesprekken in de gang en het lokaal van de schoonmakers

Voor een boekpresentatie in Kunsthal Gent wordt er gepraat met de schoonmakers van de campus in Gent tijdens en na hun dienst. Er komt een gesprek op gang met Fardowsa, een vrouw die eerder vast in dienst was bij de hogeschool en coördineert vanwege Atalian. Terwijl wij als docenten ons vooral richten op de machtsverhouding tussen het instituut en de schoonmakers, blijkt zij vooral boos te zijn over het gebrek aan respect van onze studenten. Ze laat ons foto’s zien van flessen urine die in een studio zijn gevonden. Ze vraagt zich af of LUCA een kleuterschool is. Waarden als verantwoordelijkheid, hygiëne en volwassenheid worden verbonden aan de kunstacademie. Deze kritiek op ‘de vuile studenten’ vindt ook weerklank bij de andere schoonmakers. Een andere vrouw klaagt over het feit dat er geen vervanging is geregeld toen een collega wekenlang ziek was. In de keramiekwerkplaats vinden ze steevast grote bollen gips of restjes keramiek in prullenbakken die daar niet voor bedoeld zijn. (docenten)

18 februari 2022 Boekvoorstelling School of Equals in Kunsthal Gent

Met onderzoeker Sigried Vertommen (UGent) en kunstenaar Robin Vanbesien voeren we een gesprek over (onzichtbare) zorgarbeid. In de inleiding van de bijbehorende publicatie geven we aan dat één manier om het ‘politieke’ te zien begint met kijken naar waar onzichtbare en precaire posities aanwezig zijn in de academie: studenten, modellen voor tekenles, de coaches in de technische werkplaatsen, precaire contractarbeiders en het schoonmaakpersoneel. (docenten)

2023 Indiensttreding schoonmaker

 

13 maart 2023 Teamontbijt met de schoonmakers, docenten, studenten en leidinggevenden op campus Gent

16 november 2023 Brief aan de schoonmakers waarin we onze positie en intenties proberen uit te leggen. Een student die ook Turks spreekt vertaalt.

 

14 december 2023 Eerste Schoonmaakassemblee

 

Aan de hand van excerpten uit de film Le balai libéré (2023) worden de volgende pijnpunten besproken: studenten die binnenkomen tijdens het poetsen van de toiletten, verf in de wasbakken, afval of kunstwerken die in de gang staan, het overleg met Atalian, veiligheid en dakloze mensen die op de campus slapen, bewustmaking van studenten, de hoge werkdruk, zware vuilbakken in keramiek en beeldhouwkunst, … (docenten)

Ik als schoonmaker moest vorig jaar de kopieerruimte poetsen. Er was veel papierafval, heel zwaar eigenlijk. Ik moest elke dag dat papier nog verdelen in zakken en het afval wegdragen.

Juni 2024

Vooral de examenperiode, vlak voor de school sluit, is elk jaar de zwaarste periode. Dat merk ik al zeven jaar.

Veel studenten laten hun spullen en afval dan gewoon achter. En wij moeten dat allemaal opruimen. Voor mij is dat echt een zware job. En de schoonmaakfirma… Ik denk niet dat ze er rekening mee houden. Ook hier op school houden mensen er geen rekening mee.

2024 Indiensttreding schoonmaker

Ik loop tijdens het werk. Ik moet dat doen om rond te geraken. Maar sommige mensen vinden dat grappig.

De persoon die mij nu vervangt heeft veel minder uren om mijn werk te doen, één of twee uurtjes in plaats van acht. Ik was daar eigenlijk ook een beetje van aangedaan. Zij gaat dat niet volhouden, hè.

In het contract met de firma staat dat ze moet kunnen putten uit eigen personeel. Maar er zijn bijna geen vervangingen. Ook niet alle uren worden vervangen na pensioen. Ik hoorde zeggen: ‘We gaan dat er gewoon bijpakken.’ Ik zei om te lachen tegen een schoonmaker die op pensioen ging: ‘Dan ben je eigenlijk je hele leven veel te veel betaald geweest.’ Zegt ze: ‘Twee uurtjes, dat kan toch niet?’. ‘Natuurlijk kan dat niet! En dan de koffie er nog bij.’ (voormalige coördinator)

Een nieuwe openbare aanbesteding wordt uitgeschreven voor de uitvoering van het schoonmaakwerk op LUCA School of Arts.

  

2024

Indiensttreding schoonmaker

Indiensttreding schoonmaker

Indiensttreding schoonmaker

25 september 2024

 

We praten en praten, maar niets verandert. Ik geloof niet dat er iets gaat veranderen als ik praat. We hebben nog niet met onze bazen gesproken.

Vroeger heb ik ook tapijten gemaakt en nu poets ik het textielatelier. Je zou kunnen zeggen dat ik terug ben.

Ik zie dat ze vandaag veel te weinig tijd hebben en dat het allemaal snel snel moet gebeuren. (voormalige coördinator)

Studenten maken een scenografie en portretten voor de tentoonstelling.

De schoonmakers zeggen dat ze ook taalcursussen volgen en dat het belangrijkste is dat de uren waarin we samenwerken met studenten goed gepland zijn. (docenten)

10 oktober 2024

We moeten terug naar eigen personeel. Je hoort van veel andere bedrijven die ook overgeschakeld zijn naar poetsfirma’s dat ze terug zouden willen. Ik vrees dat dat niet gaat gebeuren met die raamovereenkomsten. Je kan alles vragen aan eigen personeel. Nu spreken we niet meer met elkaar. Als ik iemand zie poetsen, wordt er bijna geen goedendag gezegd. Dat ze ongelukkig zijn, kan ik heel goed geloven. Dat ligt aan het beleid. (voormalige coördinator)

Gesprekken met het schoonmaakpersoneel gaan over

  • Docenten en studenten die de stoelen niet terug op de kar zetten.
  • Er is geen aanspreekpunt: ‘Wie kun je vragen stellen?’ Niemand. Ze geven ons geen informatie. We doen alles zelf, we vinden zelf oplossingen. Niemand kan ons iets vertellen.’
  • 18 leslokalen alleen moeten poetsen
  • Elk jaar doen we een grondige schoonmaak… maar twee weken later… is dat niet meer zichtbaar.
  • Het is altijd hetzelfde probleem: we zijn te gehoorzaam. We moeten het eigenlijk niet accepteren. We laten ons onderdrukken.
  • We hebben de hoop op deze school verloren.
  • Graffiti in de toiletten
  • Ik heb een neefje die in Brussel kunst studeert: tekenen.
  • Ik vind koken mooi.
  • Ik vind het glasatelier mooi.

Mijn dochter is grafisch ontwerper. Zij spreekt geen Nederlands en woont in Turkije. Ik kijk hier naar het werk van studenten aan de muren maar ik word soms ook opeens kwaad omdat ik denk aan de kamer van mijn dochter. Ik kon die niet poetsen omdat ik zelfs niet binnen geraakte. Ze schilderde overal in haar kamer. Ik nam ooit een aantal foto’s van werk dat ik hier zag en stuurde dit naar mijn dochter.

Het probleem is dat er gewoon overal rommel is en het aantal studenten maar blijft stijgen. Dus dan moeten de verwachtingen lager zijn betreffende properheid. Ze verwachten van ons hetzelfde werktempo, dezelfde snelheid en dezelfde taken.

19 november 2024

 

In de plaats van voor de collega’s te zorgen… zijn het nu kippen, hahaha. Die spreken mij niet tegen. En ze geven mij geen opdrachten!

9 december 2024

Samen schoonmaken met studenten, docenten en schoonmakers

18 december 2024 Tweede Schoonmaakassemblee

Op basis van gesprekken met (oud-)schoonmakers van LUCA School of Arts, een voormalige coördinator van de schoonmaak, docenten e.a.

 

d

clustered | unclustered

Vroeger heb ik ook tapijten gemaakt en nu poets ik het textielatelier, je zou kunnen zeggen dat ik terug ben

Sarah Késenne & Hana Miletic

Te midden van deze tentoonstelling ligt een constellatie van schoolstoelen en beschilderde banners. Aan de muren kan je een beknopte historiek van schoonmaakarbeid op de campus lezen. Deze installatie kwam tot stand op basis van gesprekken met het schoonmaakpersoneel en werd uitgewerkt in samenwerking met studenten en docenten uit verschillende opleidingen (Klara Bardtman, Marina Bueno Arrufat, Louise Cremers, Axelle De Meyer, Lisa Gautama, Manon Gijselinck, Yasmine Jacob, Eleanor Jacques, Caini Jin, Paulina Kaval, Sarah Késenne, Veronica Losonczi, Joana Martins de Carvalho, Sule Nur Eryuruk, Arwen Olivier, Milla Slangen, Fleur Triest, Stijn Van Dorpe, Morgan Verelst, e.a.). Tijdens deze gesprekken deelde het personeel van de onderhoudsploeg zijn ervaringen en reflecties over het schoonmaakwerk op de kunstschool. De titel van de tentoonstelling, Vroeger heb ik ook tapijten gemaakt en nu poets ik het textielatelier, je zou kunnen zeggen dat ik terug ben, een uitspraak van Fadime Safak, is een raak voorbeeld hiervan. Tijdens het slotevent van de tentoonstelling op 18 december 2024 werden de stoelen gebruikt voor de tweede Schoonmaakassemblee, terwijl de uitspraken op de banners ingezet werden als aanleidingen tot gesprek. Aan de assemblee namen verschillende belanghebbenden deel: de onderhoudsploeg, studenten, docenten, administratief personeel, leidinggevenden, e.a. Op de muren rondom was een tijdslijn op roze papier te zien waarop een geschiedschrijving van schoonmaak op de kunstschool van 1985 tot vandaag te lezen is. Deze genealogie kwam tot stand op basis van interviews met verschillende betrokkenen bij het onderhoud van de campus Sint-Lucas Gent, gisteren en vandaag.

Het geracialiseerde schoonmaakwerk speelt een belangrijke rol bij de emancipatie van vrouwen uit de witte middenklasse. We vinden het belangrijk om deze verborgen geschiedenis van de kunstschool te herontdekken, te tonen en te integreren. Boven deze tijdslijn hingen vier portretten van werknemers uit de huidige poetsploeg: het portret van Elif Akin werd met grijs potlood getekend door Marina Bueno Arrufat; het portret van Fadime Safak werd met grijs potlood getekend door Arwen Olivier; het portret van Niculina Akgöl werd met houtskool getekend door Milla Slangen; en het portret van Durna Tilki werd met houtskool getekend door Veronica Losonczi. Arwen Olivier maakte met inkt en aquarelpotlood de tekening Entitled (2024), waarop “dirty hierarchy in a clean space” te lezen valt.

Rondom deze verschillende kunstwerken en objecten die in relatie staan tot schoonmaakactiviteiten, werden kunstwerken opgesteld van zowel huidige als voormalige studenten die werken rond kwesties als onderhoud, (zelf)zorg en herstel. Bij het binnentreden van de tentoonstellingszaal zie je aan de linkermuur een groot textielwerk uit wol en linnen van Fleur Triest met de titel Reparation Reputation (2024). De afbeelding toont een stoffen fragment dat Triest in Dar es Salaam, Tanzania, aantrof. Omdat het aangetroffen weefsel te beschadigd was om te herstellen, besloot Triest het op te blazen tot een nieuw vervaardigd Jacquardweefsel, en gaf het daardoor ook meer zichtbaarheid.

Wat verder in de ruimte bengelt het textielwerk Buffer (2023) van Louise Cremers, gemaakt uit hergebruikte kussenslopen, draad en metaal. De kussens in verschillende kleurschakeringen vertonen vlekken, scheuren en gaten, die verwijzen naar wonden. Het werk suggereert tegelijkertijd het inwendige lichaam en een beschermende mantel die schokken van buitenaf kan opvangen. Op de rode muur diagonaal achter Buffer toont Cremers een collage van papier, tape, kleurpotlood, pen, draad, gaas, oordoppen, pleister en pilstrip met de titel Fragile (2024). Deze aaneengeschakelde onderdelen verwijzen naar het cyclische proces van het onderhouden van een lichaam.

In de hoek tegenover de collage Fragile hangt Sofia Caesars schilderij in aquarelverf Banho-Quente (Bad-Warm, 2024), dat op een choreografische score lijkt. We zien een lichaam dat via verschillende poses rust probeert te vinden op een vlakke ondergrond. Het werk van Caesar roept ambivalente toestanden op tussen activiteit en passiviteit, beweging en pauze, werk en rust. Het is een belichaamde kritiek op de dominante infrastructuren die de normen definiëren rond productiviteit en werk.

Tussen het werk van Cremers en Caesar in staat de installatie Greeting Your Neighbor’s Friends (2022-) van Dan Xin Hao: ze bestaat uit een plastic bak, water, pomp, buisjes en glazen objecten die op gemberwortels lijken. Het werk verwijst naar het onderhoud van aarde. Het circuit dat telkens anders wordt opgesteld en doorheen de jaren steeds verder uitbreidt, “vraagt naar ruimte voor de gevoelswereld, die moet gecultiveerd worden als een tuin, waarin het onkruid gewied moet worden, en waar ruimte en stilte nodig zijn”.

In de nissen achteraan in de tentoonstellingsruimte spelen videowerken van Sara Boumkwo en Temene Tomson. Boumkwo’s video Dear Sara (2024) onderzoekt via een performance van zelfzorg de relatie tussen zwarte vrouwen en westerse schoonheidsidealen. In de video is te zien hoe Boumkwo een bezoek brengt aan schoonheidssalons in de Congolese wijk in Brussel, Matonge, om er haar jeugdherinneringen te herspelen. Tijdens dit proces gaat ze in gesprek met haar jongere zelf, waarbij ze zowel de geïnternaliseerde mannelijke blik bevraagt als de westerse schoonheidsnormen die ze ooit zo stevig omarmde confronteert. Voor het videowerk hangt een ‘gordijn’ van gevlochten haar dat refereert aan haardracht als een vitale vorm van expressie en identiteit binnen de zwarte gemeenschap en cultuur. Tegelijkertijd stelt Sara met dit ‘gordijn’ de vraag of het wenselijk is om het haar aan te raken.

Tomsons geluidloze, zwart-witte videowerk To Know My Body (2024) is een zelfportret. Met de camera van haar smartphone filmde Temene zichzelf gedurende een jaar tijdens het toedienen van medicatie voor een chronische ziekte. Gedurende deze periode gaat ze na wat het betekent om te leven in een lichaam dat ziek is, om uiteindelijk via dit zorgproces de controle over haar lichaam terug te nemen en pijn te transformeren in iets dat niet “alleen van haar is, maar nu ook van jou”.

Voorafgaand aan de opening van de tentoonstelling werd om 6 uur ’s ochtends een gezamelijke schoonmaakactie georganiseerd, waarbij studenten en docenten meewerkten met de schoonmaakploeg tijdens hun ochtendshift. Studenten uit Arts & Society en Critical Practice gingen ook in gesprek over de tentoonstelling en beluisterden ter voorbereiding een podcast met een gesprek tussen Silvia Federici en Territorio Doméstico over de strijd van huishoudelijk personeel met migratie-achtergrond als onderdeel van A life worth living: a workshop on struggle, care and joy, een vierdaagse workshop geleid door kunstenaar Anna Rispoli tijdens Kunstenfestivaldesarts in 2024.

Deze tentoonstelling was een initiatief van Sarah Késenne, Hana Miletić en Stijn Van Dorpe, en werd gesteund door IMAGE. Met dank aan alle deelnemende kunstenaars: Klara Bardtman, Sara Boumkwo, Marina Bueno Arrufat, Sofia Caesar, Louise Cremers, Sule Nur Eryuruk, Axelle De Meyer, Lisa Gautama, Manon Gijselinck, Dan Xin Hao, Yasmine Jacob, Eleanor Jacques, Caini Jin, Paulina Kaval, Veronica Losonczi, Joana Martins de Carvalho, Arwen Olivier, Milla Slangen, Temene Tomson, Fleur Triest en Morgan Verelst; aan de onderhoudsploeg: Niculina Akgöl, Elif Akin, Wendy Hayot, Fadime Safak en Durna Tilki; en aan onze collega’s Serge Bakker, Han Decorte, Wim Lambrecht, Tom Van Imschoot en Margo Veeckman.

 

Foto's: © Karel Moortgat